Belasting over vermogen in 2022

Door Mark van der Laan FFP CFP®
Deel dit artikel met anderen

Er is al geruime tijd onvrede over de manier waarop het vermogen dat iemand heeft fiscaal wordt belast. Er wordt namelijk Inkomstenbelasting geheven over je spaargeld en beleggingen. Zoals de naam al doet vermoeden is het dus eigenlijk een belasting over het inkomen dat je uit het vermogen ontvangt. Maar hoe wordt dit inkomen dan bepaald? Hoe wordt daar belasting over geheven en waarom is het eigenlijk nodig om dit te wijzigen? En dan kunnen we in het kader van deze website waar het gaat over het opnemen van overwaarde ons nog de vraag stellen wat dit voor invloed heeft op bijvoorbeeld een overwaarde hypotheek.

Korte terugblik op de vermogensbelasting

Om een goed beeld te krijgen van de motivatie van het huidige kabinet om de vermogensbelasting oftewel vermogensrendementsheffing aan te passen is het goed om te kijken welke wijzigingen er in de afgelopen jaren zijn geweest. 

Belasting op vermogen voor 2017

Voor 2017 werd er belasting geheven over een fictief rendement dat behaald wordt uit het vermogen. Allereerst moest er een grondslag worden bepaald waarover het rendement werd berekend. Een deel van het vermogen was vrijgesteld en leningen (behalve de lening die gebruikt zijn voor de eigen woning) werden op het vermogen in mindering gebracht. Over het bedrag dat dan overblijft, de grondslag, werd dan gerekend met een fictief rendement van 4% waarover vervolgens 30% Inkomstenbelasting werd geheven. De totale belastingdruk boven het vrijgestelde vermogen kwam daarmee op 1,2%.

De verschillen zal ik aan de hand van een voorbeeld laten zien. Hierbij ga ik uit van een situatie waarbij iemand het volgende heeft vermogen:

Spaargeld: € 100.000
Beleggingen: € 100.000
Lening: € 80.000

In 2016 moest degene het volgende bedrag aan vermogensbelasting betalen;

Vermogensbelasting vanaf 2017

In 2017 zijn er onder druk wijzigingen doorgevoerd omdat er meer gekeken moest worden naar het werkelijk behaalde rendement. Het leek niet reëel dat al er vanuit gegaan werd dat over al het vermogen een rendement behaald werd van 4%. De spaarrentes werden steeds lager en niet iedereen belegde zijn of haar geld. Om die reden is er in 2017 een wijziging doorgevoerd in de manier waarop de belasting op het vermogen werd geheven. De Belastingdienst deed de aanname dat naar mate je meer vermogen hebt het ook aannemelijk is dat je meer gaat beleggen met je vermogen. En omdat het gemiddelde rendement hoger is bij beleggingen ging de belastingdienst er vanuit dat je meer rendement op het vermogen maakt als je meer vermogen hebt. Er werden drie verschillende schijven in het leven geroepen. Het gemiddelde fictieve rendement wordt als volgt vastgesteld (voorbeeld 2019). Op spaargeld gaat men uit van een gemiddeld rendement van 0,13% en op beleggingen wordt er gerekend met een fictief rendement van 5,6%.

Dit is een poging om de belastingheffing over het inkomen uit vermogen beter aan te laten sluiten bij het werkelijk behaalde rendement.

Wanneer we de gegevens uit het eerder voorbeeld weer gebruiken is dit de uitkomst van de wetswijziging in 2017 berekend met de gegevens van 2019:

Uitspraak Hoge raad juni 2019

In juni 2019 is er een uitspraak van de Hoge Raad waardoor een wijziging van de belastingheffing over het vermogen opnieuw aangepast moet worden. De Hoge Raad concludeert namelijk dat de belastingdruk op het vermogen onevenredig hoog is geweest bij een groep spaarders. Het fictieve rendement van 4% stamt uit tijd waarop deze wet is ingevoerd (2001) en is niet meer realistisch. Veel mensen kunnen met de uitspraak van de Hoge Raad bezwaar maken op de belasting die ze moesten betalen als ze aan kunnen tonen dat ze een lagere rentevergoeding op het spaargeld hebben gekregen dan de 4% waarmee gerekend is.

Deze uitspraak zorgt ervoor dat ze in het kabinet de druk voelen om de belastingheffing in box 3 opnieuw te wijzigen. De wetgeving is in 2017 wel weer gewijzigd vergeleken met de jaren waar de uitspraak van de Hoge Raad betrekking op heeft. Het blijft wel zo dat er in de huidige wetgeving ervan uitgegaan wordt dat je met je vermogen belegd. Terwijl dit misschien helemaal niet het geval is. Om nu in de toekomst weer een probleem te krijgen wanneer mensen naar de rechter stappen omdat ze niet hebben belegd en daarom een te hoge belastingdruk hebben gehad op het vermogen moet de wetgeving weer aangepast worden. Het moet nog beter aansluiten op de werkelijk behaalde rendement.

Belastingplan nieuwe vermogensrendementsheffing vanaf 2022.

In grote lijnen komt het erop neer dat je straks aan zal moeten geven met welk deel van je vermogen je hebt belegd en wel deel op de spaarrekening staat. Er wordt dan uitgegaan van een rentevergoeding op het spaargeld van 0,09% en op beleggingen 5,33%. Dit zou dus beter aan moeten sluiten bij het werkelijk behaalde rendement. Daarnaast worden er nog een paar dingen aangepast. Nu wordt het vermogen belast dat boven de vrijstelling van € 30.846 uitkomt. Van het vermogen wordt dus € 30.846 afgehaald ter bepaling van de grondslag. In het voorstel voor 2022 staat dat het vermogen tot € 30.846 is vrijgesteld, maar wanneer je erboven komt dat wordt het totale vermogen in de berekening meegenomen. Er komt daarvoor in de plaats wel een heffingsvrij inkomen van € 400,-. Voor leningen in box 3 geldt dat deze niet meer direct in mindering worden gebracht op het vermogen. Het heeft wel invloed op het fictieve rendement waarmee wordt gerekend. Je mag namelijk 3,03% van de schuld in mindering brengen op het fictieve rendement over het vermogen. Oh ja, en de belastingdruk op het rendement gaat van 30% naar 33%.

Hoe pakt dit uit voor het voorbeeld dat we eerder hebben gebruikt?

Hieronder een berekening van dezelfde situatie als hiervoor, maar dan in 2022 met de gegevens zoals we die nu hebben:

Deze wetswijziging lijkt dus in dit voorbeeld mee te vallen. De belastingdruk is in ons voorbeeld verlaagd. Voor wie pakt dit anders uit?

In grote lijnen kunnen we zeggen dat spaarders er beter vanaf komen in het voorstel. Die kunnen tot een bedrag van maar liefst € 440.000 belastingvrij op de spaarrekening laten staan. Beleggers zullen over het algemeen een hogere belastingdruk ervaren. Dit lijkt ook in lijn met het uitgangspunt dat het rendement op beleggingen over het algemeen hoger is dan sparen.

De gevolgen voor de overwaarde hypotheek.

Wanneer je overwaarde opneemt en daarvoor een hypotheek aangaat dan kan het wetsvoorstel gevolgen hebben. Twee dingen zijn hierbij van belang. Neem je overwaarde op als periodieke uitkering of ontvang je eenmalig een bedrag? Bij een periodieke uitkering zal er niets veranderen want als het goed is dan gebruik je deze uitkering om het inkomen aan te vullen en dan zal het geen invloed hebben op de hoogte van het vermogen. Wanneer je een eenmalige uitkering ontvangt dan is het van belang wat je met deze uitkering doet. Ga je ermee beleggen of mee sparen? Staat dit geld op een spaarrekening dan heeft het ook geen negatieve invloed op de te betalen belasting in box 3. Het fictieve rendement op sparen is een stuk lager dan het negatieve rendement van de lening die je mag verrekenen. Ga je dit geld gebruiken om te beleggen, bijvoorbeeld voor de aankoop van een tweede woning, geld lenen aan (klein)kinderen etc. dan kan dit wel gevolgen hebben. Er wordt gerekend met een rendement van 5,33% op de belegging en hierop mag 3,03% in mindering worden gebracht voor de lening. Dan wordt er dus gerekend met een positief rendement van 2,3%.

Stel je hebt een overwaarde hypotheek in box 3 van € 100.000. Je hebt deze € 100.000 geleend aan je dochter om haar te helpen om een huis te kopen. Deze lening aan je dochter is vermogen. Het is een vordering en hierover wordt een fictief rendement van 5,33% geheven in box 3. Je hebt ook een lening en die mag je daarop in mindering brengen tegen 3,03% rendement. Na het heffingsvrije inkomen van € 400 zou je dan nog € 359 Inkomstenbelasting moeten betalen terwijl je in de huidige situatie geen belasting hoeft te betalen. Nu mag je namelijk je eigen schuld van € 100.000 in mindering brengen vordering van € 100.000 aan je dochter.

Secundaire motivatie wetsvoorstel, de woningmarkt

Er is een belangrijke reden waarom de schulden in box 3 straks anders wordt meegenomen dan in de huidige wetgeving en dat heeft onder andere te maken met de woningmarkt. Op dit moment zijn er steeds meer beleggers die woningen kopen om te verhuren terwijl het voor de starter steeds moeilijker wordt om een woning te kopen. Stel je kunt een lening afsluiten voor een woning die je kunt verhuren. Zeg voor € 250.000. Dan betaal je daar geen vermogensbelasting over wanneer de woning ook € 250.000 waard is. De lening mag je in mindering brengen op je vermogen en dat is dan per saldo € 0,00. Dit terwijl je wel de huuropbrengst hebt van deze woning en dat is waarschijnlijk hoger dan de rentelast van lening. Wanneer het voorstel wordt aangenomen dat wordt er wel belasting geheven over het vermogen. Zie het voorbeeld hieronder.

Mijn conclusie, dichter bij werkelijke rendement, maar kan beter.

Zolang niet het werkelijk behaalde rendement wordt belast in box 3 dan blijft er altijd een groep die bevoordeeld of benadeeld wordt. Het lijkt me een verbetering dat er in ieder geval gekeken gaat worden naar de werkelijke situatie. Spaar je met je vermogen of beleg je het? Wat uiteraard jammer is in dit voorstel is dat er alleen een onderverdeling wordt gemaakt tussen sparen en beleggen. De ene belegging is echter niet de andere. Een staatsobligatie levert bijvoorbeeld over het algemeen een ander rendement op dan een aandelenbelegging. Ik kan me echter voorstellen dat het onmogelijk te doen is om nog meer categorieën te onderscheiden binnen de beleggingen want ook obligaties of aandelen zijn weer onder te verdelen in een andere risico-rendementsverhouding. Wanneer ik dan ook kijk naar de reacties op het wetsvoorstel dan is het de vraag of met deze wetswijzing de weerstand opgelost wordt. Deze nieuwe berekening komt wellicht een stap dichter bij het werkelijke rendement dat behaald wordt over het vermogen, maar zolang niet echt het werkelijke rendement belast wordt zal er weerstand zijn. Voor de fiscale wetswijziging van 2001 werd er zogenaamde bronbelasting geheven. Het werkelijk behaalde rendement werd dan belast (boven een rentevrijstelling en dividendvrijstelling) en ik denk dat de meest eerlijke vorm van belastingheffing in box 3 iets vergelijkbaars zou moeten hebben als toen. Je zou denken dat het mogelijk moet zijn om de werkelijk behaalde rendementen op het vermogen te belasten in Box 3. Uiteraard zijn er dan ook voor- en tegenstanders en er gezocht worden naar de mogelijkheden om zo min mogelijk te betalen. Dat zal altijd wel zo blijven.